Brand!

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Brand: het moet een angstaanjagend gegeven zijn geweest voor  middeleeuwse stadsbewoners. Wat vaak begon als een ongelukje, kon tot grote rampspoed leiden wanneer een kleine brand oversloeg naar omliggende bebouwing. Zo ontstonden in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd geregeld grote stadsbranden, die soms meer dan de helft van de stad in as legden. Er vielen doden, gewonden en overlevenden raakten dakloos.

Middeleeuwse huizen waren klein en tochtig en de warmte kon niet worden vastgehouden, waardoor het nodig was altijd een vuurtje in de haard te hebben branden. De haard werd behalve voor verwarming ook gebruikt om te koken en was daarmee een belangrijk en centraal punt in huishoudens uit vroeger tijden. Gevaar lag echter constant op de loer, want bovenal waren de huizen wegens de houten constructie zeer brandbaar. Ook toen de schoorstenen op veel plekken waren vervangen door stenen varianten, gebeurde het vaak dat rondvliegende vonken hout elders in de woning deden vlamvatten. Voor je het wist, verspreidde de brand zich door het hele huis en naar andere huizen, die in middeleeuwse steden dichtbij lagen. Zo kon het dat stadsbranden, van klein tot heel groot, vaak voorkwamen. Een brandweer zoals we deze nu kennen was er nog niet en wanneer een brand nog extra werd aangewakkerd door een stevige wind, was er geen houden meer aan.

De laatste houten gevel van Middelburg in de Lange Delft, circa 1870. (ZB, Beeldbank Zeeland)

Grote stadsbranden in Zeeland

Stadsbranden kwamen vaak en in de meeste stedelijke gebieden voor in de tijd waarover we het hebben, zo ook in Zeeland.

In 1554 brandde in Goes een kwart van de toenmalige bebouwing van de stad af. De brand begon in een van de zoutketen in het noordoosten van de stad. Deze zoutketen, die gelegen waren aan het water en waren gebouwd van hout, hadden een grote ketel die van onderaf verwarmd werd door een gedeeltelijk afgesloten vuur. Op een gegeven moment moet het hout in de keet vlam hebben gevat, waarna het zich heeft verspreid over de naastgelegen zoutketen en oversloeg naar de stad. Een harde wind blies het vuur in westelijke richting waar het onder andere de huizen aan de Turfkade volledig in de as legde.

Middelburg werd in de vijftiende eeuw tweemaal getroffen door een grote stadsbrand: na een brand in 1432, waarna er juist veel weer wat opgebouwd, werd in 1492 bijna de gehele stad verwoest. De in de Abdij gevestigde oudste bibliotheek van Zeeland ging hierbij in vlammen op en veel oude en kostbare handschriften gingen verloren.

Zierikzee is bijzonder vaak getroffen door een stadsbrand. Tussen 1400 en 1600 was er vijf keer sprake van een grote brand: in 1414, 1458, 1466, 1526 en 1576. In 1414 ging de helft van de stad in vlammen op. Bij daaropvolgende branden was de getroffen oppervlakte niet meer zo groot, maar verloor Zierikzee wel veel bijzondere en belangrijke bebouwing, waaronder het Begijnhof.

Het huis Karel V op Turfkade 11 in Goes heeft twee sleutelstukken voorzien van het jaartal van herbouw 1555. (ZB, Beeldbank Zeeland)

Vervolging en brandpreventie

Stadsbesturen kwamen met allerlei ordonnanties om de brandveiligheid te bevorderen. Zo was in Goes ’s nachts de nachtwacht op pad om onraad en brand snel op te merken. Als daar brand was, dan moest van elk gezin één iemand komen helpen blussen met emmers water. Om te voorkomen dat de brand oversloeg, werden huizen naast brandende huizen gesloopt. Erg cru, maar dit was naast het gooien met water het enige dat gedaan kon worden om de brand nog enigszins tegen te houden. De stad Goes vergoedde achteraf de schade, althans, als het betreffende huis nog niet was gegrepen door het vuur – in dat geval verloren de bewoners hun huis en draaiden ze op voor de kosten van een nieuw huis. Als kon worden bewezen waar de brand was ontstaan, dan werden de eigenaren ervan opgepakt.

Zoals bleek bij de stadsbrand in Goes in 1554, waren niet alleen woonhuizen geduchte plekken voor het ontstaan van stadsbranden. Fabrieken die in die tijd gebruik maakten van vuur ter verwarming van ketels waren vaak de startplek. Daarom moesten fabrieken zich aan strengere regels houden. Er zijn uit de archieven veel meldingen bekend van uitgedeelde boetes voor het onveilig omgaan met vuur. Uiteindelijk moesten bedrijven zich steeds verder van de stad gaan vestigen om overslaan van brand te voorkomen.

Een van de weinige maatregelen die echt het aantal stadsbranden deed afnemen was het bouwen van huizen met stenen in plaats van met hout. Dit proces heeft eeuwen in beslag genomen. Men begon met het plaatsen van een stenen schoorsteen, maar in een huis dat verder helemaal van hout was, was dit niet voldoende. De stadsbesturen stelden vervolgens een hard dak verplicht, gemaakt van leien of pannen. Hiervoor bestond vaak een soort subsidieregeling om de bewoners tegemoet te komen. Uiteindelijk moesten de gevels van alle nieuw te bouwen huizen van stenen worden gemaakt. In Middelburg werden deze stenen door het stadsbestuur tegen betaling ter beschikking gesteld en bij weigering volgde een boete. Houten gevels van oudere huizen die in verval raakten mochten niet worden gerepareerd of vernieuwd, en men werd zo gedwongen bij verval een stenen gevel te plaatsen.

Dit proces, waarbij de kwetsbare houten huizen voor een steeds groter gedeelte uit stenen gingen bestaan, heeft lang geduurd. In 1886 verdween pas de laatste houten gevel in Middelburg. Deze werd vervolgens geplaatst in de tuin van het voormalig museum van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen aan de Middelburgse Wagenaarstraat.

Literatuur
C. Dekker, Een schamele landstede. Geschiedenis van Goes tot aan de Satisfactie in 1577, Goes 2002.
A.J. Barth en F.H. de Klerk, Cursus Hoofdlijnen van de geschiedenis van Goes, Goes 1990.