Natuur op Neeltje Jans

Het voormalige werkeiland Neeltje Jans was na de aanleg van de stormvloedkering een verlaten bouwterrein, waarover jarenlang werd gediscussieerd. In 1990 en 1991 werd, aan de Oosterschelde-kant, met bulldozers en shovels het ‘casco’ van een duinlandschap aangelegd, naar een inrichtingsvoorstel van de natuurorganisaties.

Staalkaart

Het Zeeuwse Landschap en Natuurmonumenten pleitten voor een natuurlandschap, dat een staalkaart zou vormen van de verschillende kustlandschappen in Zeeland. Dat is uitstekend gelukt. Het inrichtingsplan voor Neeltje Jans is tot op zekere hoogte, en op veel kleinere schaal, een soort kopie van de Zeepeduinen.

Onder invloed van wind…

Het casco-duinlandschap werd met zware machines aangelegd.
Vervolgens werd dit in echte natuurlijke vormen gepolijst door de wind, vooral tijdens storm. Zand verstoof, en hoopte zich op in luwe delen.
De zogenaamde paraboolduinen ‘wandelden’ soms met de wind in de rug meters naar het noordoosten. Dit proces vond vooral plaats in het eerste jaar na de aanleg. Men wist deze verstuiving enigszins te sturen door stuifschermen te plaatsen en helm te poten.
Vanaf het tweede jaar werd dit proces verder afgeremd doordat de plantengroei zich begon te ontwikkelen.

… en water

Ook het zeewater heeft een rol gespeeld bij de vorming van het landschap hier.
Er waren enkele grote duinvalleien aangelegd. Eén daarvan is als een slufter vormgegeven; een vallei die in open verbinding staat met de Oosterschelde en volloopt met springtij. Het water blijft er dan enkele dagen staan.
In de loop van de jaren heeft het periodiek volstaan met water geleid tot een grotere valleivlakte en het wegspoelen van enkele kleinere duinruggen. Hierdoor loopt bij vloed ook een tweede vallei vol.

Natuurlijke begroeiing

De eerste jaren waren de omstandigheden in dit kale zandgebied extreem. Alleen de stuifschermen van wilgentakken en de gepote helmpollen boden pionierplanten als zeeraket en smal vlieszaad wat beschutting. De meeste helmpollen zijn het eerste jaar aangeslagen en daarna sterk uitgebreid.
Inmiddels is het duingebied al jaren helemaal begroeid. Nog steeds domineert helmgras in grote delen. Pioniersoorten van het eerste uur, afgezien van helmgras, zijn (zo goed als) verdwenen. We zien nu vooral duinstruweel, met duindoorn als dominante en vaak enige soort. Plaatselijk staat een enkele vlier en ligusterstruik. Andere struiken, zoals meidoorn en rozen, komen als de duindoorn zijn toptijd heeft gehad.

‘Foute’ vegetatie

Plaatselijk ziet het struweel er vreemd en onnatuurlijk uit, doordat wilgentenen van de stuifschermen uit de begintijd wortel hebben geschoten. Hierdoor staan er hier en daar rijen wilgenboompjes. Of die zich op de duinhellingen zullen ontwikkelen tot echte bomen is de vraag. Bij het uitgroeien van de kroon wordt het hier steeds moeilijker om zowel de droogte als de striemende zoute zeewind te weerstaan. Mogelijk dat de natuur deze ‘foute’ vegetatieontwikkeling zal corrigeren.

Rijk aan vogels

Neeltje Jans is een waardevol vogelgebied, dat met de seizoenen een wisselend schouwspel toont.
Zo trekken de duindoornbessen grote aantallen trekvogels aan. Die blijven hier dagen hangen en trekken op hun beurt roofvogels aan, zoals buizerds en sperwers.
In de wintermaanden zie je er bijvoorbeeld groepjes rotganzen, die vanuit de Mattenhaven via de vol staande slufter het duingebied in zwemmen.

Ook om er te broeden

Ook kun je hier al vanaf eind december de eerste voortekenen van de broedtijd waarnemen: honderden zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuwen beginnen zich dan te vestigen, vooruitlopend op de eileg vanaf april. Aan beide kanten van de N57 is het dan een drukte van belang. Wat andere broedvogels betreft, zijn hier jaarlijks wel bijzondere soorten in flinke aantallen aanwezig. Bijvoorbeeld eidereenden, visdieven, dwergsterns, bontbekplevieren en zelfs lepelaars. Bijzondere broedvogels van het duinstruweel zijn de kneu, nachtegaal en grasmus.

Konijnen, ook dankzij de mens

Naast de vogelrijkdom vormt de hoge konijnenstand een belangrijk en opvallend kenmerk van Neeltje Jans.
Normaal gesproken zouden hier, vanwege de geïsoleerde ligging, geen konijnen voorkomen. De oorsprong van deze stabiele eilandpopulatie is dan ook geheel van menselijke aard. In de jaren tachtig woonden werkmensen in barakken op Neeltje Jans, compleet met groentetuintjes en huisdieren. Bij het opbreken van dit werkkamp zijn konijnen achter gelaten. Vooral de eerste jaren liepen er hier zowel witte, zwarte en grijze konijnen rond. In de loop van de tijd is de grijze wildkleur dominanter geworden.

Variatie

Een goede konijnenstand in duingebied, wat door ziekten in weinig kustgebieden het geval is, komt de variatie in zowel vegetatietypen als broedvogelstand sterk ten goede. Konijnen kunnen, al knagend, de struweelontwikkeling plaatselijk beperken, en monotone helmgrasvlakten omvormen in soortenrijke, kort gegraasde duingraslanden. Broedvogels waarvan de aanwezigheid gerelateerd is aan konijnenholen zijn onder andere bergeend en de zeldzame tapuit. Bergeenden broeden op Neeltje Jans.

Hollands glorie

Zeeuwen oordelen wisselend over Neeltje Jans. De sceptici vinden het te kunstmatig en te beperkt, terwijl de liefhebbers juist geboeid de ontwikkelingen volgen. Een enthousiaste bezoeker vatte het als volgt samen: ‘Je ziet inderdaad nog de kunstmatige trekken van de aangelegde natuur, maar je bent hier ook telkens vlakbij de waterkant in allerlei spannende vormen. Ook de imposante stormvloedkering is alom aanwezig. Dit is hoe wij het doen in Nederland, dit is op en top Hollands Glorie.’

Bron

Zeeuws Landschap 2011, nr. 4.