Kerkherstel of afbraak

De beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog waren funest voor een flink aantal dorpen en kerken. In de jaren 1572-1577 werden zóveel kerkgebouwen verwoest, dat geldgebrek de Staten van Zeeland noopte tot keuzen: herstel van de kerk in het ene dorp, uitblijvend herstel of afbraak van de kerk in het andere dorp.

Na het luwen van de strijd werd begonnen met herstel van de gehavende kerken. Dat gebeurde onder leiding van enkele rentmeesters die de Staten van Zeeland hadden aangesteld. Sommige kerkgebouwen, zoals die in Ritthem, Koudekerke en Meliskerke, werden verkleind.

De Odulphuskerk in Meliskerke.De Odulphuskerk in Meliskerke.

Te gelde maken

Om aan geld te komen, werd afbraakmateriaal verkocht. Ook belastingen leverden de nodige geldmiddelen op. Kerkelijk grondbezit werd te gelde gemaakt. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Rengerskerke op Schouwen, waar wederopbouw van de kerk niet meer werd overwogen. De inkomsten van de blijkbaar verwoeste kerk van Westenschouwen mochten in 1581 gebruikt worden voor de restauratie van de kerk van het naburige Haamstede. Ook roerende goederen uit de geruïneerde kerken in enkele Zuid-Bevelandse dorpen werden verkocht ten bate van kerkherstel.

Besluitvorming

Ondanks diverse maatregelen was er geen geld om álle beschadigde kerken te restaureren. De overheid, dat wil zeggen de Staten van Zeeland, moest dus keuzes maken. Zo besloten de Staten in 1575 om Boudewijnskerke en Sint-Janskerke af te breken. Niet duidelijk is of het alleen beide kerkgebouwen betrof of dat het ging om beide dorpen in hun geheel. Wél dat met het afbraakmateriaal het fort Rammekens kon worden hersteld.

Rond 1585 gingen 109.000 stenen van de verwoeste kerk van Zanddijk naar Veere ten behoeve van het Oranjebolwerk daar. En in 1590 vonden de Staten van Zeeland het goed dat de kerkruïnes van Nieuwerkerke, Duivendijke, Brijdorpe en Looperskapelle op Schouwen door de inwoners (verder) werden afgebroken. De bestemming van het afbraakmateriaal? De vestingwerken van het nabije Brouwershaven.

Behelpen

De inwoners van Schakerloo op Tholen kregen rond 1590 geen toestemming voor herbouw van hun kerk. Ze moesten zich voortaan maar ‘behelpen metten kerkckendienst’ in de nabije stad Tholen. Wederopbouw van Nieuwerve en Welzinge op Walcheren werd evenmin overwogen. De gelovigen moesten maar meebetalen aan de restauratie van de kerk van Oost-Souburg.

Het gehucht Schakerloo (Tholen) in 1765. De kerk was toen al lang verdwenen. (Kaart uit bedrijfskaartboek, particulier bezit).Het gehucht Schakerloo (Tholen) in 1765. De kerk was toen al lang verdwenen. (Kaart uit bedrijfskaartboek, particulier bezit).

Actie

Illustratief is wat er gebeurde in Serooskerke en Grijpskerke op Walcheren. De Staten van Zeeland achtten kerkherstel in die dorpen financieel niet haalbaar. Ze waren van oordeel dat de inwoners van Serooskerke voortaan maar in Gapinge, en die van Grijpskerke in Buttinge ter kerke moesten gaan. Daar, in Gapinge en Buttinge, waren de kerkgebouwen er veel beter aan toe. Maar de beide dorpsgemeenschappen voelden niets voor dit combinatieplan. Ze voerden actie, met als resultaat het behoud en herstel van de kerken in Serooskerke en Grijpskerke. In Buttinge bleef herstel uit; het dorp-met-kerk verviel tot een gehucht zonder kerk.