Geweibijlen uit de Westerschelde

door Hans Jongepier
verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Een verzamelaar van botten en fossielen vond in 1957 in een schelpenhoop in Brielle een op het eerste gezicht onbeduidend stuk hertengewei. Het bleek na bestudering een fragment van een rendiergewei te zijn, dat door prehistorische mensen was bewerkt. Het stuk was door een schelpenzuiger opgezogen uit de bodem van de Westerschelde, ter hoogte van Ellewoutsdijk.

Het betrof het onderste gedeelte van de rechterhoofdstang, die iets boven de ijstak later is afgebroken. De ijstak, een tweede tak van het gewei, is door het aanbrengen van kerven afgebroken tot een hamerkop, waarmee bijvoorbeeld botten, vuursteen of huiden konden worden bewerkt.

Ahrensbergcultuur

Het voorwerp was 20 centimeter lang. Archeologen noemen een dergelijke bijl een Lyngbybijl, naar een Deense plaats. Ze komen voor in vindplaatsen van de zogenaamde Ahrensburgcultuur, uit de laatste koude fase van de laatste ijstijd. Die fase is de overgang van de Oude Steentijd naar de Midden-Steentijd, circa 10.000 voor Christus. De meeste Lyngbybijlen zijn gevonden in Noord-Duitsland en Denemarken, maar ook uit Nederland zijn er – hoewel zeer weinig – bekend. Waar deze bijl van Ellewoutsdijk nadien is gebleven, is helaas een raadsel.

Lyngbybijl uit de Westerschelde (coll. KZGW).

Maar gelukkig is nog zo’n bijl uit Zeeland overgeleverd. Deze bevindt zich in de collectie van het Zeeuws Genootschap, dat dit jaar 250 jaar bestaat. Het Genootschapsexemplaar is veel langer en is eveneens afkomstig uit de Westerschelde. De exacte vindplaats van dit stuk, dat ook uit rendiergewei is gemaakt, is niet bekend. De bijl is 48,5 centimeter lang en heeft een uitholling aan het uiteinde van de steel. Hierin was waarschijnlijk een stenen bijltje bevestigd, waarmee hout kon worden bewerkt.

Bijl en hamer

Door het gebruik is de geweistang daar op twee plaatsen in de lengte gespleten. Het gewei lijkt dus op een andere manier te zijn gebruikt dan het exemplaar van Ellewoutsdijk. Lichte polijstsporen aan het uiteinde van de korte ijstak wijzen erop dat het werktuig ook als hamer kan hebben gediend. Soms werden geweibijlen versierd met ingekerfde streepjes, maar dat is hier niet het geval.

De twee genoemde bijlen zijn de meest westelijke vondsten van de Ahrensburgcultuur in Nederland en vormen ook de enige voorwerpen van die cultuur in de provincie Zeeland. Het landschap bestond destijds uit een toendra. De mensen die daarin als jagers en verzamelaars rondtrokken waren gespecialiseerd in de jacht op rendieren.

Literatuur

Elzinga, G., 1960: Een Lyngby-bijl uit Zeeland; in: Westerheem IX, no. 9-10, p. 102-107.