Spreken Zeeuwen Ingveoons?

Ingveoons wordt ook Noordzee-Germaans of Kustgermaans genoemd. Het is kenmerkend voor de kustdialecten: de West-Germaanse dialecten of talen aan de Noordzee. Hierdoor hebben het Zeeuws en ook het West-Vlaams heel wat gemeen met het Engels en het Hollands. In grote delen van Zeeland vinden we nog sporen van die Kustgermaanse woorden in de dialecten en in de plaatsnamen. Wij sommen er enkele voor u op die we vonden in het Zeeuws etymologisch woordenboek van Frans Debrabandere.

Jie praet wè gaef (postkaart gemaakt ter gelegenheid van de vraag naar erkenning van het Zeeuws als regionale minderheidstaal. (Beeldbank SCEZ)

jie praet wè gaef (postkaart gemaakt ter gelegenheid van de vraag naar erkenning van het Zeeuws als regionale minderheidstaal. (Beeldbank Erfgoed Zeeland)

Pitten en briggen

Een veel gebruikt voorbeeld bij de Ingveonismen is de ontronding van de u tot i in pit ‘put’, rik ‘rug’, dinne ‘dun’, krikke ‘kruk’ of brigge ‘brug’, zoals in het Engelse pit, thin, …. Denken we bijvoorbeeld aan de Zeeuwse plaatsnaam Brigdamme. Een brigge of brisse is in het Zeeuws ook een losse bodem in de spinde.

Andere voorbeelden of afleidingen van de hier al genoemde woorden zijn (ver)dinsel ‘jonge slaplantjes die uitgetrokken worden om de andere planten meer ruimte te geven’, hil, hille ‘hoogte, hoog duin; (hoog) eilandje in binnenwater; hofstee’ naast hul(le), ook te vinden in moggenhillen ‘muggenbeten, muggenbulten’ en in nille ‘blaar op de huid’ (dat ontstaan is onder invloed van den (h)ille) en midde ‘mud, inhoudsmaat’ tegenover mud(de).

Ingveoonse ontronding: ten westen stik, pit, dinne, brigge / ten oosten stuk, put, dun, brug (kaart J.Taeldeman, Taal en Tongval 46)Ingveoonse ontronding: ten westen stik, pit, dinne, brigge / ten oosten stuk, put, dun, brug (kaart J. Taeldeman, Taal en Tongval 46)

Vier en stieren

Een ander voorbeeld is de ie voor uu in bijvoorbeeld lieden tegenover lui(den), stieren tegenover sturen, overstier tegenover overstuur, vier tegenover vuur. Een minder bekend woord is belieuwd ‘tegen de wind beschut’ tegenover beluwd.

Muide en goeze

Ingweoons is ook de vorm muide, die we kennen uit Arnemuiden, Sint-Anna-ter-Muiden en Diksmuide tegenover het Frankische mond(e) – met een n – uit Dendermonde of Roermond (vergelijk in dit verband ook het Engelse mouth, dat net als de Ingveoonse vormen zonder n wordt gerealiseerd).

Een ander voorbeeld waarbij in het Ingweoons de n-loze vorm zichtbaar is, vinden we bij goeze tegenover gans. We treffen deze vorm nog aan in de samenstelling goezemoeze ‘sterrenmuur’, dat elders ganzemoes of ganzemuur heet. Vergelijk ook de Engelse vorm goose en de West-Vlaamse vorm goeze. Vormen als groezemoeze zijn ontstaan door associatie met groeze ‘loof’, oezemoeze wellicht door de lokale uitspraak hoezemoeze. Oenzemoes is hypercorrect.

Een minder duidelijk voorbeeld van een Kustgermaans woord in deze categorie is boesvol ‘boordevol’, dat wellicht een samenstelling is met boes ‘deel van de koestal’, afgeleid van het Oudgermaanse *bansa. Dat geldt ook voor de plantennaam duus(t) ‘vossenstaart’ die elders dons wordt genoemd.

Muide in Arnemuiden is een Ingveoonse vorm. (Beeldbank SCEZ)Muide in Arnemuiden is een Ingveoonse vorm. (Beeldbank Erfgoed Zeeland)

Mange en stange

De verschuiving van nd naar ng tussen twee klinkers is typisch voor de kustdialecten. Voorbeelden daarvan zijn bijvoorbeeld gringel ‘grendel’, mange ‘mand’, ponger ‘laadboom’, pangel ‘mand, korf’, sponge ‘voorplank aan bed, vloedplank’, stange ‘kuip’, zangerig ‘zanderig’.

Ook hongersgos ‘kweek”, variant van hondegras, hoort hier thuis. Hond heeft hier een verachtelijke betekenis, vanwege het vervelende, onuitroeibare onkruid. Hongersgos is volksetymologisch, maar ook door het kustdialectische kenmerk dat nd tussen twee klinkers ng wordt, vergelijk ook onger ‘onder’. Hetzelfde zien we in hongetonge ‘smalle weegbree’ dat afgeleid is van hondetonge.
De vormen ramangel, remangel ‘amandel’ zijn wellicht afgeleid van armandel, dat met r-toevoeging zelf afgeleid is van amandel. In ongersmoks ‘tersluiks, in het geheim’ herkennen we onger, dat afgeleid is van onder.

-ede en -schip

Mide ‘bedeesd, verlegen’ is eigenlijk mijdde, een afleiding met het Ingweoonse ede-achtervoegsel van het Middelnederlandse werkwoord miden ‘schuw zijn, ontzien, mijden’. Het achtervoegsel –schip ‘-schap’ dat we in waarschip, waardschip ‘garantie, waarborg’ zien is eveneens Ingweoons, te vergelijken met het Engelse –ship van bijvoorbeeld friendship.

Heibeier en weel

Weel, wele ‘wiel, binnendijkse kolk, waal; laaggelegen ’s winters onderlopend land; drenkplaats voor dieren’ is een Ingweoonse vorm van waal. Een ander geval waarin aan Kustwestgermaanse invloed kan worden gedacht is heibeier ‘ruwe klant’ Volgens Devos gaat het woord terug op een heel oude, Kustwestgermaanse uitroep, bestaande uit de samenvoeging van twee zeer oude kreten. De eerste daarvan laat zich verbinden met het nog altijd gebruikelijke, aandachttrekkende hei!. Voor het tweede denkt ze aan een gebodsvorm van het werkwoord beiden, of aan een klanknabootsend woord dat overgeleverd is in de woordfamilie van beieren en beiaard, maar dat niet als afzonderlijke uitroep is geattesteerd’.

Bronnen
Debrabandere, F. (2007), Zeeuws etymologisch Woordenbank.
M. Devos, Heibei of haaibaai, ’t is niets dan lawaai. Liber Amicorum W.J.J. Pijnenburg, Groningen, 2005, 91-109.
Zeeuwse dialectkrant (bij de tentoonstelling Zeeuwse Klapbank).