Koolschaaf

door Katie Heyning

Hoewel de meeste zuurkool tegenwoordig fabrieksmatig wordt bereid, zullen die Zeeuwse huisvrouwen die hun eigen zuurkool maken voor het noodzakelijke schaafwerk vrijwel zeker hun keukenmachine gebruiken. Hoewel het ontegenzeggelijk een fluitje van een cent is om zo de harde kool te schaven, vragen kookdeskundigen de laatste tijd steeds meer aandacht voor het gebruik van de ouderwetse koolschaaf. De kool zou hiermee veel fijner en gelijkmatiger geschaafd worden dan in moderne keukenmachines mogelijk is.

Koolschaaf, 1e kwart 20e eeuw, Brusea, Bruinisse. (Ivo Wennekes) Afmetingen: 92 x 34 x 6 cm; materiaal: eikenhout, ijzer; herkomst: particuliere schenking, ca. 1985; restauratie 2007: Riaan Rijken, Koudekerke.

Koolschaven komen vanaf de achttiende eeuw in Nederlandse boedelinventarissen voor. Het hier getoonde type met drie verstelbare messen is echter pas later op de markt gekomen samen met talloze andere huishoudelijke apparaten die in de loop van de negentiende eeuw werden uitgevonden om de taken van de huisvrouw te verlichten variërend van de afwasmachine (1865) tot de door velen nog steeds gebruikte, handmatig aangedreven eierklopper (1870). Een vergelijkbare exemplaar is afgebeeld in het Vlaamse landbouwtijdschrift De Akkerbouw van 22 december 1850. De koolschaaf uit Bruinisse bestaat uit een bijna één meter lange taps toelopende, houten plank waarin drie schuine messen met behulp van vlindermoeren trapsgewijs kunnen worden vastgezet. Met een dergelijke schaaf werden witte en rode kolen in fijne reepjes voor huishoudelijk gebruik geschaafd. Om het afsnijden van vingertoppen te voorkomen, plaatste men de doormidden gesneden kolen in een houten bak die aan de bovenkant verzwaard kon worden. Door deze bak over de schaaf te laten glijden, kon men met één haal drie plakken van de kool halen, waarbij het schaafsel in een onder de schaaf opgestelde kuip of emmer werd opgevangen.

Rode en witte koolsoorten werden pas aan het eind van de zestiende eeuw vanuit Italië in de Nederlanden geïntroduceerd en waren in het begin niet erg populair. Men vreesde ‘jaghende beroeringhe’ in maag en darmen en in zestiende-eeuwse kookboeken wordt de kool dan ook altijd terdege gekookt of gestoofd. Pas tegen 1670 verschijnen recepten voor rauwe salades van rode en witte kool aangemaakt met olie, azijn en zout. Zuurkool raakt pas aan het eind van de achttiende eeuw in ons land ingeburgerd. In menig huishouden stond tot aan de Tweede Wereldoorlog een grote Keulse pot in de kelder waarin de fijngesneden witte en savooiekool met wat zout werd ingemaakt. Goed aangedrukt en afgedekt gistte dit na enige tijd tot zuurkool, één van de weinige groenten die ook in de winter beschikbaar waren. Pas nadat de conserveringstechnieken drastisch verbeterd waren en voedsel in blik bewaard kon worden, was men immers niet langer aangewezen op eigen inmaak en produkten van het seizoen uit de directe omgeving. In tegenstelling tot de rest van Nederland blijkt uit onderzoeken naar de volksvoeding in Zeeland dat men de zuurkool hier aan het eind van de negentiende eeuw vooral los at en niet in een stamppot vermengd met aardappels. Ook de Zeeuwse gewoonte ’s zomers zuurkool te eten week af van het gebruikelijke patroon.

Koolschaaf; restauratie 2007: Riaan Rijken, Koudekerke. Nieuwe gelijmde eiken lat waar de messen in vallen.

De koolschaaf uit de Oudheidkamer van Bruinisse was er slecht aan toe. Het object was aangetast door de houtworm en de ijzeren messen waren zwaar verroest. Bij een eerdere opknapbeurt was een deel van het eikenhout aan de rechterkant vervangen door een stuk iepenhout dat met lelijke schroeven en spijkers was vastgezet. Dankzij de restauratie in 2007 is de schaaf weer in zijn oude glorie hersteld.

Bekijk ook andere koolschaven op de pagina Collecties.

Literatuur
Katie Heyning, Zeeuws Behout: Behoud van houten voorwerpen in Zeeuwse musea, Steunfonds voor de Zeeuwse Musea, Middelburg 2007.