Spelregels van het ringrijden

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Ringrijden is een volksvermaak met een lange geschiedenis. Maar is het wel vermaak? Zowel de spelregels als de organisatie van de bijeenkomsten maken het meer tot een echte sport.

De ringoppasser hangt de ring in de bus. Oostkapelle 1991. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)De ringoppasser hangt de ring in de bus. Oostkapelle 1991. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)

Galop

De ringrijder zit op een ongezadeld paard dat hij/zij in galop de baan instuurt. De baan is een met zand bestrooide 36 meter lange renbaan. De beurt van een ringrijder die met zijn paard in draf rijdt, wordt ongeldig verklaard. In de hand heeft hij/zij een lans waarmee een ring moet worden gestoken die in een ijzeren bus halverwege boven de baan hangt.

Wit

Het paard moet versierd zijn. De deelnemer moet geheel witte kleding dragen. Hier overheen wordt over de rechter schouder een oranje sjerp gedragen. De koploper in het klassement – hij of zij die de meeste ringen steekt – krijgt een groene sjerp over de linker schouder.

Zoutelandse ringrijders in Middelburg, omstreeks 1994. De deelnemers aan het ringrijden moeten zich volgens de regels geheel in het wit hullen, met een oranje sjerp over de rechterschouder. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, collectie Jan Bruijns)Zoutelandse ringrijders in Middelburg, omstreeks 1994. De deelnemers aan het ringrijden moeten zich volgens de regels geheel in het wit hullen, met een oranje sjerp over de rechterschouder. (ZB, Beeldbank Zeeland, collectie Jan Bruijns)

Bij demonstraties en folkloristische dagen wordt doorgaans in streekdracht gereden. De traditie is echter beperkt. Het betreft meestal de streekdracht van de jaren twintig/dertig van de 20ste eeuw. Je mag met wedstrijden meedoen vanaf het jaar waarin je twaalf wordt.

Ringrijder in de Walcherse dracht tijdens een demonstratiewedstrijd in Koudekerke, circa 1978. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto J. Dingemanse)Ringrijder in de Walcherse dracht tijdens een demonstratiewedstrijd in Koudekerke, circa 1978. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto J. Dingemanse)

Afmetingen

Bij het ringrijden wordt gestoken naar een ring van 38 millimeter in doorsnee. Wordt er gekampt om een prijs en blijven de ringrijders raak steken, dan wordt de ring verkleind. Dat gebeurt eerst steeds met zes millimeter naar 32, 26, 20, 14 en tenslotte 10 millimeter. Net zo lang tot er één ringrijder overblijft die de ring weet te steken.

Er is ook nog een grotere ring: de hoepel. De omvang van de doorsnede daarvan varieert. ‘Op de hoepel’ moet die deelnemer rijden die de acht eerste beurten geen ring weet te steken.

De 'hoepel' is een aanmerkelijk grotere ring dan de reguliere van 38 millimeter... Tekening van Piet Voordes op prentbriefkaart van omstreeks 1990. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland)De ‘hoepel’ is een aanmerkelijk grotere ring dan de reguliere van 38 millimeter… Tekening van Piet Voordes op prentbriefkaart van omstreeks 1990. (ZB, Beeldbank Zeeland)

Als een ring gestoken is, moet deze worden afgegeven aan de zogenaamde ringloper (zie hieronder), met de lans achterover geheven. Bij een officiële wedstrijd zijn er 30 beurten om een ring te steken.

De ring hangt onderaan een ijzeren bus in het midden van de 36 meter lange baan. De onderkant van de bus hangt 2,20 meter boven de baan.

De breedte van de baan bedraagt één meter en de hoogte van de met touw bespannen houten palen naast de baan 1,20 meter.

Opruimen van de baan na afloop van de wedstrijd. Oostkapelle 1991. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)Opruimen van de baan na afloop van de wedstrijd. Oostkapelle 1991. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)

De paarden kunnen aan beide uiteinden van de baan rusten in twee boxen.

Wachten in de box tijdens een wedstrijd op het Dorpsplein in Koudekerke omstreeks 1974. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto J. Simonse)Wachten in de box tijdens een wedstrijd op het Dorpsplein in Koudekerke omstreeks 1974. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto J. Simonse)

Medewerkers

Behalve de deelnemers zijn er meer mensen nodig om een wedstrijd te kunnen houden.

De baancommissaris zorgt ervoor dat de wedstrijdregels worden nageleefd en alles in goede banen wordt geleid.

Hij wordt geholpen door twee schrijvers. Een houdt het scoreverloop op het schoolbord bij en de ander houdt de beurten in een schrift bij. Een gemiste beurt is een platte streep, een gestoken ring een staande streep. Turven dus.

Schrijver bij het scorebord tijdens het ringrijden in Oostkapelle in 1991. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)Schrijver bij het scorebord tijdens het ringrijden in Oostkapelle in 1991. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)

Verder is er een ringhanger (of ringoppasser) die telkens de ring in de bus houdt en de staat van de baan in het oog houdt.

De ringoppasser verschuift de bus op aanwijzing van de rijder. Oostkapelle 1991. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)De ringoppasser verschuift de bus op aanwijzing van de rijder. Oostkapelle 1991. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)

Meestal zijn er ook nog twee ringlopers, aan elke zijde van de baan een. Zij nemen de gestoken ringen van de rijders in ontvangst.

Een rijdster heeft raak gestoken en geeft de ring af aan de ringloper. Oostkapelle 1991. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)Een rijdster heeft raak gestoken en geeft de ring af aan de ringloper. Oostkapelle 1991. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm)

Wedstrijd

Er wordt gereden van acht uur ’s morgens tot ongeveer vijf uur in de middag. Tussen twaalf en een wordt doorgaans gepauzeerd. Een en ander kan afhangen van het afwerken van een aantal beurten. Tegenwoordig worden er bij een normale wedstrijd 30 beurten verreden. De wedstrijdleiding kan dat aantal echter inkorten als de wedstrijd te lang dreigt uit te lopen.

De laatste tien beurten van de wedstrijd worden verreden om de ‘bekers’. De laatste twee beurten ‘om de pollepel’. Vaak eindigen deelnemers hier met een gelijk aantal ringen. Dan wordt er gekampt op steeds kleinere ringen. Wie over 30 beurten de meeste ringen steekt, is algeheel kampioen. Soms zijn er ook nog prijzen voor wie de meeste volgringen – dat zijn opeenvolgende ringen – steekt.

De kampen volgen aan het eind van de wedstrijddag als alle beurten verreden zijn. Daarom is het rond de ‘baan’ altijd op zijn drukst na vijf uur.

Zeeuws kampioenschap

Er zijn bij het ringrijden twee wedstrijden die er echt toe doen. De eerste is de klassementswedstrijd die met een drietal ruiters van een vereniging wordt verreden. Het hoogst haalbare hierbij is het winnen van de ereklas wedstrijden. Individueel kan men kampioen worden van de eigen vereniging.

De hoogste waardering wordt echter behaald met het winnen van het open Zeeuws kampioenschap in Middelburg. Dat wordt altijd gehouden op de derde donderdag van augustus aan het Molenwater in de provinciehoofdstad.

Literatuur en documentatie
ZRV, Bram Roose (red.) en Leo de Visser, Zeeuwse Ringrijders Vereniging (ZRV 1990), uitgave ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de ZRV.
Website van de Zeeuwse Ringrijders Vereniging (ZRV).