Landaanwinningswerken als crisismaatregel

In de economische crisis van zo’n tien jaar geleden probeerde de overheid de economie te stimuleren door het versneld uitvoeren van allerlei projecten. Dat deed ze ook tijdens de economische crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw. Zo werden in het oosten van ons land jaarlijks duizenden hectares ‘woeste grond’, heidevelden en hoogvenen, ‘in cultuur gebracht’. In het Waddengebied begon men op grote schaal de vorming van kwelders te bevorderen door de aanleg van bezinkvelden, omgeven door dammetjes en doorsneden met rechte greppels.

Ook in de verschillende Deltawateren begon met toen met de uitvoering van landaanwinningswerken. Zo werden in Zeeland duizenden hectares schor ontwikkeld, die in de decennia erna grotendeels ingepolderd werden. Het beeld van die ingepolderde schorgebieden, en deels ook dat van onze huidige schorren, is grotendeels terug te voeren op de landaanwinning uit die economische crisis.

Slijkgras

De aanleiding voor de Zeeuwse landaanwinningswerken was een studiereis van de Dienst der Domeinen naar de Engelse zuidkust. Daar was een nieuwe slijkgrassoort ontstaan, door een spontane kruising tussen een autochtone slijkgrassoort en een zich daar gevestigde Amerikaanse slijkgrassoort. De kruising, naderhand Engels slijkgras genoemd, was aanzienlijk groter dan de oorspronkelijke Europese soort en bleek zich gemakkelijk te kunnen vestigen en uitbreiden vanaf de laagste zone op een slikplaat waar plantengroei mogelijk is, tot op middelhoog schorniveau. Dit maakte deze plant een optimale ‘slikbinder’.

Schorvorming

Opslibbing

Getijdenwater dat slikken en schorren overspoelt is vaak rijk aan slibdeeltjes. In de buurt van obstakels, zoals planten, neemt de stroomsnelheid af en bezinken de slibdeeltjes. Naarmate een plant groter is en in grote aantallen voorkomt zal er tijdens de vloed meer slib neerslaan. Op die manier kan de ontwikkeling van een kale slibplaat tot een hoog opgeslibd schor snel verlopen.

De Engelse manier

In Engeland had met waargenomen dat door het uitplanten van Engels slijkgras op slikvlakten vóór bestaande schorren, binnen enkele jaren nieuwe schorren van uitgestrekte slijkgrasvelden ontstonden. De Dienst der Domeinen was hier zo van onder de indruk dat ze in 1925 besloot tot de invoer in Zeeland van 40.000 Engels slijkgrasplanten. Her en der werden ze uitgeplant en in veel gevallen ontstonden ook hier binnen enkele jaren uitgebreide slikgrasvelden. Het planten van slikgrasstekken werd in de jaren daarna, tot de jaren zestig, op zowel dezelfde slikken als op andere locaties in het Deltagebied herhaald. Vanaf 1936 werd het aanplanten van slijkgras gecombineerd met het graven van greppels, het plaatsen van rijshoutschermen en/of de aanleg van aarden of stenen dammen. In Saeftinghe bijvoorbeeld vond de sterkste schoruitbreiding plaats; van enkele honderden hectares in 1935 tot zo’n 1600 hectare in 1957.

Slijkgras

Ecologisch effect

Achteraf beschouwd is het planten van Engels slijkgras erg succesvol geweest voor de landaanwinning, maar niet voor de ecologie. Zo heeft het Engels slijkgras zich in de loop van de tijd op alle Zeeuwse schorren zodanig uitgebreid dat het oorspronkelijke klein slijkgras geheel verdrongen is. Ook de oorspronkelijke vegetatieontwikkeling is sterk beïnvloed; klein slijkgras speelde een veel bescheidener rol bij de vegetatieontwikkeling. Daarnaast zorgde de kunstmatige schorontwikkeling voor het verdwijnen van grote oppervlakten slikgebied. Ecologisch gezien zijn die vanwege hun foerageerfunctie van grote aantallen vissen, steltlopers en andere kustvogels minstens even waardevol als schor. Dit punt blijft actueel bij het nadenken over onze Deltawateren.

Oeverloper

Bron: Zeeuwslandschap 25/2.