Protestbewegingen tegen afsluiting van de Oosterschelde

In het kader van het Deltaplan was de afsluiting van de Oosterschelde voorzien. Maar een algehele afsluiting stuitte op veel verzet. Verschillende belangenorganisaties sloegen de handen ineen. Hoewel de werkzaamheden al waren gestart, verwierp de Tweede Kamer in 1974 een motie om een vaste dam in de Oosterschelde te leggen. Twee jaar later was de tijd rijp voor een alternatief plan, waarin alle partijen zich uiteindelijk konden vinden.

Affiche tegen afsluiting van de Oosterschelde. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, collectie Paul de Schipper)Affiche tegen afsluiting van de Oosterschelde. (ZB, Beeldbank Zeeland, collectie Paul de Schipper)

Vroeg verzet

Verzet tegen de sluiting van de Oosterschelde organiseerde zich al in 1968. Diverse belangenorganisaties kwamen bij elkaar: de Zevibel (Stichting Visserij Belangen), oesterkwekers, de Stichting voor de Nederlandse Visserij, milieuactivisten, garnalenhandelaren en advocaten. Zij vormden in januari gezamenlijk wat later de Studiegroep Oosterschelde zou worden. Veel vergaderingen werden gehouden bij ir. Loeff, die in Veere aan de Kaai woonde. Zijn buurman was ir. Dibbits van Rijkswaterstaat, een felle voorstander van afsluiting. Dibbits was zodoende zelf getuige van de bewustwording en het verzet van een deel van de Zeeuwen. De kracht van de Studiegroep was dat academici uit alle geledingen er deel van uit maakten. Zij boden met goede en technische argumenten tegenwicht aan de plannen van Rijkswaterstaat.

Argumenten van ir. Loeff

De argumenten die ir. Loeff, zelf hoofdredacteur van de Waterkampioen, in Ons Zeewezen, een opinieblad voor marine en koopvaardij (1969), naar voren bracht voor het openhouden van de Oosterschelde waren:
1) vernietiging van een zeearm met zeldzaam schoon water, die een waterwoestijn van vervuild Rijnwater wordt
2) vernietiging van de kraamkamer voor de Noordzeevisserij
3) wegvallen van getij en verandering van golfslag maakt het gebied onaantrekkelijk voor watersport
4) de oester- en mosselcultuur wordt vernietigd
5) de sportvisserij verdwijnt
6) meer ijsgang
7) een veranderd regionaal klimaat is een nadeel voor de fruitteelt
8) een versmalling van de Voordelta zorgt voor afslag van de koppen van de eilanden en verdwijnend strand op Walcheren en Schouwen

Getijdestroom en oesters

Op 30 april 1969 werd gestart met de aanleg van een eerste eiland in de Oosterschelde: de Roggeplaat. Per etmaal stroomt er 1.100 miljoen kubieke meter water de Oosterschelde in. Die hoeveelheid stroomt bij eb ook weer weg. Aanleg van dat eiland had direct invloed op de groei van de oesters. Toen in april 1969 ook het Volkerak werd afgesloten kon er geen vervuild zoet water uit de Rijn en de Maas meer de Oosterschelde instromen. Hierdoor bleef de bijna voltallige hoeveelheid uitgezette oesters in leven. Dat was in de jaren daarvoor slechts een deel.

Pers en opinie

Op 1 augustus 1969 werd het memorandum van de Studiegroep Oosterschelde gepubliceerd. Hierin werd gesteld dat de kosten (inclusief schadeposten) van een dam op 2 miljard gulden kwamen. Het verhogen van de daarachter gelegen 200 kilometer dijk kostte slechts 600 miljoen gulden. Voor- en tegenstanders lieten zich in de provinciale en landelijke pers horen en zelfs tussen de diverse media ontstond een belangenstrijd. De Stem beschuldigde de PZC ervan vóór afsluiting te zijn, volgens het weekblad Visserijnieuws waren PZC en Rijkswaterstaat twee handen op één buik en in een artikel in Elseviers Weekblad stelde milieubeschermer Wouter van Dieren dat de PZC de oppositie doodzweeg. De PZC op zijn beurt claimde het alleenvertoningsrecht van alle berichtgeving over de Deltawerken. In zijn commentaren koos de hoofdredacteur van de krant, G.A. de Kok, veelal de kant van Rijkswaterstaat, maar in artikelen van verslaggevers konden ook tegenstanders van afsluiting hun zegje doen.

Toen kreeg de milieubeweging plots het tij mee. Ernstige milieuschandalen en politieke bijval in de vorm van de Club van Rome brachten een gedachtenverandering bij het grote publiek op gang.

Demonstraties

Tot dan werd er niet openlijk gedemonstreerd. Dat veranderde op zaterdag 19 december 1970. Minister Bakker van Verkeer en Waterstaat kwam de Schroebrug openen in Middelburg. De jeugd van Yerseke kalkte in metershoge witte letters ‘Oosterschelde open’ op de muur van een stationsgebouw. Overal in de omgeving werden stickers met dezelfde tekst opgeplakt. In januari 1971 werd in Yerseke de Actiegroep Oosterschelde Open opgericht. Een van de eerste acties was het vol plakken van de ramen van het Delta-instituut in Yerseke met actieleuzen.

Actie door vissers tegen afsluiting van de Oosterschelde in 1972. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto C. Kotvis)Actie door vissers tegen afsluiting van de Oosterschelde in 1972. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto C. Kotvis)

1974

In 1974 verwierp de Tweede Kamer met 75 tegen 67 stemmen een motie van antirevolutionair M. Schakel om de Oosterschelde met een vaste dam van zee af te sluiten. Met die stemming overleefde het kabinet Den Uyl een kritiek moment. De uitslag betekende ook dat de Oosterschelde ‘halfopen’ zou blijven met een pijlerdam als stormvloedkering.

De Oosterschelde mag geen miskleun worden

De waterstaatkundige ingenieur H. Meijer was altijd tegen een dichte Oosterschelde geweest. Hij was actief in de actiegroep SOS (Samenwerking Oosterschelde) en zei dat een zinnetje in de Deltawet alle commotie had veroorzaakt. De zin waar staat ‘alle zeegaten, behalve de Nieuwe Waterweg en de Westerschelde’ zullen worden afgesloten. Een deel van de Waterstaatsmensen was afgeschrokken door het Brokopondo-project in Suriname en wilde met een rigoureuze afdamming van de Oosterschelde niet opnieuw een bouwkundige mislukking op zijn naam schrijven.

Alternatieven worden afgewezen

Rijkswaterstaat wees begin jaren zeventig alternatieven nog van de hand. De milieugroepen bleven daarom ontevreden. Ook D’66, PSP en Partij van de Arbeid gingen ten slotte door de knieën voor het idee dat de Oosterschelde open moest blijven. Daarom werd de commissie Klaassesz ingesteld om een advies te geven. De minister van Verkeer en Waterstaat drs. Tj. Westerterp maakte een blunder door te zeggen: “De commissie mag wel adviseren maar de Oosterschelde moet afgesloten worden.” Dat werkte bij Klaassesz als een lap op een rode stier. De commissie vroeg in 1973 aan de Deltadienst naar de mogelijkheid om de oevers van de Oosterschelde te versterken. Deze weigerde en speelde de vraag door aan de Provinciale Waterstaat. Deze concludeerde in een – bijzonder ondeugdelijk (want de conclusies waren al vooraf bekend) – rapport dat dit onmogelijk was.

Waterschappen en geld

In het kort kwam het erop neer dat de verschillende overheden niets voelden voor aanpassing van de plannen. Daar was op zich ook reden toe, want verandering van plannen betekende in veel gevallen financiering uit eigen middelen. Dat uitte zich in uitspraken van bijvoorbeeld de waterschappen in Zeeland, dat dezen wel aan een onderzoek wilden meewerken, mits de afsluiting van de Oosterschelde de enige juiste oplossing werd geacht. Dit soort van halsstarrigheid deed de publieke opinie uiteindelijk omslaan.

Een waterdoorlatende dam

De Tweede Kamer stemde al in 1974 in met een doorlaatbare pijlerdam. Terwijl het politieke debat nog volop woedde, bouwde Rijkswaterstaat onverdroten voort aan het project. Dat zette kwaad bloed. Er waren inmiddels werkeilanden aangelegd, er was een start gemaakt met de bouw van pylonen voor een kabelbaan en er was een blokkenmat gelegd waarop de (vaste) dam zou moeten komen. Toen eind 1974 een definitief besluit viel, moest dit deels worden afgebroken en dat kostte meer dan 200 miljoen gulden. In reactie op de gewijzigde plannen verlieten vele topambtenaren het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

1976

In 1976 was Den Haag eindelijk rijp voor een nieuw alternatief. Er lag een plan op tafel waarin de Oosterscheldedam van een aantal sluizen werd voorzien, die slechts bij extreme waterstanden gesloten hoefden te worden. Het unieke zoutwatermilieu en de visstand zouden dan in stand worden gehouden. Er zouden 62 openingen van elk 40 meter breed in de kering worden aangebracht om zoveel mogelijk zout water door te kunnen laten. Geprobeerd werd om de getijdenwerking zo veel mogelijk in stand te houden.

Literatuur
Paul de Schipper, De Slag om de Oosterschelde, Amsterdam 2008.